Just One Look Great NonProfits badge  
Subscribe to our free newsletter.

Hoe ik Gangaji ontmoette, spiritueel werd en bij toeval stuitte op het geheim van eeuwig geluk


deutsch português eesti לעברית  english română pусский

 

In 1993 zat ik al vijftien jaar in de federale gevangenis van Englewood in Colorado voor een aantal door politieke motieven ingegeven bankovervallen en sabotagedaden, die ik in de jaren '70 had begaan. In die tijd was ik absoluut niet geïnteresseerd in spirituele zaken. Ik was er al heel lang van overtuigd dat alles wat met spiritualiteit te maken had, slechts verhaaltjes waren die we onszelf op de mouw speldden om de dag door te komen, zonder van angst te sterven als gevolg van de overduidelijke nutteloosheid en hopeloosheid van het leven. Ik had geen enkele interesse in zoiets als spiritualiteit. In september 1993 werd ik echter door een vriend gevraagd mee te gaan naar een bijeenkomst met een spiritueel leraar die naar de gevangenis zou komen, volgens hem was het een adembenemende, blonde vrouw uit het zuiden van de Verenigde Staten, die een of andere spirituele Indiase leer verkondigde. Hij vroeg me of ik naar de gevangeniskapel wilde komen om er enige tijd met haar door te brengen. Nou, dat wilde ik wel natuurlijk. Het doel van haar onderneming maakte mij niets uit; ik kreeg zo echter de kans enkele uren in een kleine groep door te brengen in het bijzijn van een mooie, blonde dame uit het Zuiden die een exotisch verhaal te vertellen had. Wat kon ik daar op tegen hebben?

Toen ik me op de bewuste avond naar de kapel begaf, kreeg ik plotseling een, naar ik me later kon herinneren, hevige paniekaanval. Ik was verlamd van angst en ik wist zeker dat ik zou sterven. Mijn hart ging als een gek tekeer, ik begon hevig te zweten en ik had ademnood. Ik dacht werkelijk dat ik een hartaanval kreeg, alhoewel ik geen pijn had. Dus in plaats van een bezoek aan die wonderschone en exotische vrouw, bracht ik de hele tijd dat ze er was door op een bankje op de binnenplaats, wachtend op het moment dat mijn ervaring zou verminderen en verdwijnen. Terwijl ik daar zat, begon het echter langzaam tot me door te dringen dat het allemaal wel meeviel en lang niet zo erg was als ik aanvankelijk had gedacht en toen mijn vriend uit de kapel terugkwam en mij vroeg waarom ik er niet bij was geweest, antwoordde ik quasi nonchalant: 'Oh, ik had iets beters te doen'. Ik liet het daarbij.

Al vrij snel na dit voorval begon ik bijeenkomsten bij te wonen van een paar Tibetaanse monniken die wekelijks van het Naropa Instituut in Boulder naar onze kapel kwamen, ze waren volgelingen van Trungpa Rinpoche. Ik weet niet waarom ik dit deed, ik had niet een of ander spontaan spiritueel ontwaken gehad; ik ging er gewoon naar toe om te horen wat ze te vertellen hadden. Ik was echter stomverbaasd dat ik alles waarover zij spraken eigenlijk al wist. Ik wist niet dat ik dat al wist, tot het moment dat ik het van ze hoorde, elk inzicht, ieder begrip en alle boeddhistische overtuigingen die mij ter ore kwamen, herkende ik onmiddellijk als iets wat ik altijd al voor waar had aangenomen en dus begon ik met het bestuderen en beoefenen van het boeddhisme. Het ging me goed af en ik maakte snel vorderingen. Ik maakte diepe indruk op de mannen uit Naropa. God mag weten wat ze dachten, maar ze schenen behoorlijk in hun sas te zijn dat ze mij in de gevangenis hadden ontdekt. Na een tijdje brachten ze een Tibetaanse monnik mee die me zegende en verlichting beloofde. Het was voor mij zonneklaar dat ik overtuigd boeddhist was, eigenlijk altijd al was geweest en ongetwijfeld altijd zou blijven. Ik weet soms niet goed hoe ik het verhaal over mijn kennismaking met het boeddhisme zo kan vertellen dat het een beetje zinnig overkomt, eigenlijk was wat er gebeurde compleet onzinnig; het had er alle schijn van, dat het me gewoon overkwam en als meedogenloze en onweerstaanbare onvermijdelijkheid bezit van me nam.

Ik bezocht de wekelijkse bijeenkomsten van mensen die spraken over Gangaji (die blonde vrouw uit het Zuiden) terwijl ze video's vertoonden van haar satsangs, spirituele bijeenkomsten. Hoe vreemd was het allemaal eigenlijk: ik, die absoluut niet spiritueel was geweest, ging nu helemaal op in deze spirituele wereld, dit spirituele spel. Door mijn diepe boeddhistische overtuigingen was ik inmiddels echter ook in staat onderscheid te maken tussen leugens en waarheid, tenminste dat geloofde ik stellig en ik bezocht de meetings van Gangaji met een duidelijke missie. Ik wilde de mannen die door haar werden bedrogen laten zien dat ze niet meer was dan een leugenaarster en een oplichtster en dat ze niet naar haar moesten luisteren. Ik denk dat ik hen wilde redden van haar verleidelijke aanbod. 'De boeddhisten zijn hier al meer dan 2500 jaar mee bezig,' legde ik hevig gepassioneerd aan de mannen uit, althans zo voelde ik dat, 'en die weten echt wel waar ze mee bezig zijn. Verlichting vereist langdurig hard werken, er zijn zeer veel gedisciplineerde meditatieoefeningen en waarschijnlijk vele levens voor nodig om verlossing te bereiken en deze vrouw komt hier even binnenwaaien en vertelt jullie dat je helemaal niets hoeft te doen! Blijf uit haar buurt! Ze is vergif!'

In april of mei 1994, ongeveer drie of vier maanden na het begin van mijn boeddhistische periode, werd de man die mij in beginsel in de spirituele wereld had geïntroduceerd, overgeplaatst naar een andere gevangenis. Hij had de onofficiële positie bekleed van liaison tussen de gevangenisleiding en de spirituele oosterlingen die de gevangenis bezochten. Door zijn vertrek viel die rol mij als vanzelfsprekend ten deel en ik werd zodoende de leidende ster van het Tibetaans boeddhisme van de penitentiaire inrichting van Englewood. Toen het dus in juni 1994 tijd werd voor het volgende bezoek van Gangaji, werd van mij verwacht alle dat ik alle voorbereidingen zou treffen en moest ik alle belangstellenden van haar komst op de hoogte brengen. Op de avond dat ze zou arriveren, moest ik de kapel inrichten en Gangaji en haar gezelschap bij hun aankomst opvangen en naar de gebedsruimte begeleiden. Ik vond het leuk om te doen en maakte me geen zorgen; zij mocht dan de duivel zijn, mij kon niets gebeuren, omdat ik me door God beschermd voelde. Ik deed dus wat gedaan moest worden en tegen de tijd dat ze arriveerde, had ik mij voorgenomen, haar snel naar de kapel te brengen en daarna een partijtje te gaan tennissen, ik kon aardig tennissen in die tijd.

Ik ontmoette haar op de stoep. Ze kwam op me af, nam mijn hand en zei, terwijl ze me aankeek: 'jij bent zeker John?' (Ze kende mijn naam, omdat de mensen die in de gevangenis over haar teachings spraken, haar hadden verteld over die kerel die haar zo vreselijk haatte en slechte dingen over haar vertelde en zo ongelofelijk fel tegen haar gekant was). Terwijl ze sprak, stopte alles. Ik weet niet hoe ik dit anders moet zeggen: alles kwam gewoon tot stilstand, mijn gedachten staakten, de rusteloze beweging van mijn aandacht voor alle objecten stopte. Het hele samenspel van denken en begrip, van intentie, motief, verleden en geheugen, alles waarvan ik geloofde dat het mezelf was, verdween plotsklaps en in de afwezigheid van al het andere, bleef ik slechts over.

Natuurlijk was ik op slag intens verliefd op haar. Ik verkeerde gedurende het eerste jaar na haar optreden in voortdurende staat van gelukzaligheid en ik kon heel helder de overduidelijke, schitterende werkelijkheid zien van de eenheid van al het zijn. Ik schreef haar bijna iedere dag en wonder boven wonder schreef zij me ook net zo vaak terug. Ze sprak over mij, waar ze ook ging. Ik was haar troetelkind, haar ster en ik was dat eerste jaar volledig ondergedompeld in vreugde en verrukking – geen oordeel, geen voorkeur, alleen maar gelukzaligheid.

Onder al die zegen school echter vooral dat onzichtbare, maar tegelijk krachtige geloof dat deze gelukzaligheid, deze nieuwe staat en dat nieuwe verhaal waarlijk op mijzelf sloegen. Tegen die tijd begon ik alle spirituele boeken te lezen, die ik maar te pakken kon krijgen. Ik zie nu in dat ik dat uitsluitend deed om het verhaal over de ontwaakte John Sherman nog beter te kunnen vertellen; het verhaal van de Zelfverwerkelijkte John Sherman, het verhaal van de nieuwe en verbeterde versie van John Sherman. Ik las de boeken van Papaji, ik las Nisargadatta en de boeddhistische Pali canon, ik las Wei Wu Wei en Rumi, de Veda's, de Gita, de Upanishaden, de Hartsoetra en de Diamantsoetra, de Vajra Samadhi Soetra, de soetra van de Tien Helende Manieren van Actie, de Lotussoetra en vele andere Mahayanasoetra's. Ik las de Tripitaka, ik las de Yoga Vasistha, ik las over Shankara en zijn leringen. Maar ik las niets over Ramana, want wat hij te bieden had, wist ik allemaal allang. Alles wat hij te zeggen had, was de vraag 'Wie ben ik?' en ik wist allang wie ik was: ik was Zijn, Bewustzijn en Gelukzaligheid, ik was het Bewuste Bewustzijn Zelf, fris en schoon en vlekkeloos.

In dat jaar schreef ik aan Gangaji dat ik 'de stenen in mijn cel stille aria's kon horen zingen', dus ik had Ramana helemaal niet nodig, hij was verreweg te simpel voor mij; waarover hij sprak was allemaal veel te elementair voor mij, dat was bedoeld voor beginners en niet voor mij.

Ongeveer een jaar later merkte ik echter dat het gelukzalige gevoel verdwenen was. Ik merkte dat ik weer andere dingen wilde hebben, meer dingen op het menselijke vlak, zoals oprechte liefde van een vrouw of meer direct fysiek contact met Gangaji, of uit de gevangenis zien te komen, of genoeg geld om in het gevang toch comfortabel te kunnen leven, of na mijn vrijlating enige hoop op geborgenheid en comfort... dat soort materiële dingen. Ik bemerkte dat ik alle genoemde aardse zaken en nog veel meer trouwens, niet bezat en de ervaring van paradijselijke vreugde begon op te lossen en zich te openbaren als iets dat eigenlijk helemaal niet de moeite van het najagen was. Zoals bij elk goed verdovend middel, was de kater na de roes veel beroerder dan de grootse schoonheid van het hoogtepunt ervan.

Zo verschrompelde de paradijselijke toestand in het zicht van mijn nieuwe groeiende besef dat ik hunkerde naar bepaalde belangrijke ervaringen, die duidelijk voelbaar aan mij voorbij waren gegaan en opnieuw openbaarde zich een ander nieuw verhaal over mij, dat van John Sherman de bezitloze en behoeftige. Wat zou me te wachten staan, wanneer ik eenmaal het gevang zou verlaten? Ik had geen werk. Ik had geen geld. Ik wist niet wat te doen. Ik had niemand die van me hield... wat moest ik beginnen? Hoe kon ik dat overleven? Zou de Boeddha me te hulp schieten? Of Gangaji misschien?

Alles stortte heel snel in elkaar en wat eens het paradijs was, een heel jaar van heerlijke gelukzaligheid, toonde nu haar andere gezicht, dat van verschrikking, lelijkheid, claustrofobie, verkramping, haatgevoelens, hulpbehoevendheid, gebrek, van alles willen hebben en niet krijgen, nutteloze weerstand, vastklampen, verlies en hunkering.

Ik verviel in zielige hopeloosheid. Ik kan me nog goed herinneren hoe ik het wilde uitschreeuwen en de God, waarin ik niet geloofde, smeekte mijn ontmoeting met die vrouw terug te draaien en net te doen alsof ik haar nooit had ontmoet; te doen alsof ik nooit had gehoord over verlichting, zelfverwerkelijking en dat soort onzin. Voordat ik haar ontmoette, ging het goed met mij: ik speelde tennis en bridge, ik rookte van tijd tot tijd een lekkere joint en kon goed opschieten met mijn medegevangenen. Het ging gewoon lekker met me, ik bezat niet veel en ik verwachtte ook niet veel, maar nu, nadat ik het paradijs had gezien en had kunnen proeven van de gelukzaligheid en de onvoorwaardelijke eeuwige vrijheid en daarna getuige was geweest van de verdwijning ervan, wenste ik dat ik er nooit iets over gehoord. Ik had ooit een van de boeddhisten horen opmerken dat het horen van alleen al het woord 'verlichting' het grootste geluk was, dat iemand in zijn leven kon overkomen. Ik haatte die herinnering, ik had er op dat moment alles voor over gehad, dat ik het woord nooit had gehoord en weer bij het beginpunt zou staan zodat ik tegen Alan, mijn spirituele voorganger, kon zeggen, dat ik niet wilde deelnemen aan die eerste bijeenkomst met Gangaji. Maar de hel verdween niet, de begeerte verdween niet, de claustrofobie wilde niet verdwijnen, de pijn, het lijden en de ziekmakende ellende die ik voelde, wilden geen van alle verdwijnen. Niets van dat alles wilde weggaan.

Ten einde raad wendde ik mij ten langen leste tot Ramana. In mijn wanhoop en niet vanwege een of ander plotseling begrip, inzicht of moment van bewustwording, maar meer gedreven door wanhopige hopeloosheid, wendde ik me voor het eerst tot hem. Ik begon de boeken over Ramana te lezen. Ik droeg het grote rode boek 'Gesprekken met Ramana Maharshi' overal waar ik ging, met me mee en las het aan een stuk door. Ik begreep echter geen jota van het merendeel wat hij te vertellen had. Hij sprak over concepten die me wel bekend voorkwamen en ook over mij bekende praktijken, zoals pranayama en mantra en japa, leegte en de vernietiging van het verstand en zo, maar hij sprak erover, alsof ze er niet toe deden. Er kwamen mensen naar hem toe met vragen en hoewel hij ongelofelijk erudiet was en veel wist over spirituele zaken en bovendien getuigde van onmiddellijk diep begrip over hetgeen ze hem vroegen, antwoordde hij hen weliswaar in overeenkomstige bewoordingen vanuit dat begrip, maar het leek alsof hij van mening was dat alles er eigenlijk niets mee te maken had.

Het enige waar Ramana enig belang in stelde, was de vraag: 'Wie?' In ieder geval moedigde hij iedere bezoeker aan, ongeacht wie, om de waarheid te ontdekken over wat ze waren. Daar week hij nooit vanaf. Nooit. Steeds weer opnieuw zei hij: 'Wie vraagt dit? Wiens probleem is dit wat je vraagt? Wie heeft dit nodig? Wie lijdt hieronder? Wie wil dit? Wie ben je eigenlijk? Wie ben je werkelijk?'

Met betrekking tot het ego entameerde hij spiritueel meer gevorderden, alles omtrent het veronderstelde niet-bestaan van het ego te vergeten en het in plaats daarvan 'bij de keel te grijpen'. Dat waren zijn eigen woorden. Het ego vastgrijpen en zoeken waar het vandaan komt, waar het gaat en wat het is. Hij sprak van de ik-gedachte en raadde iedereen aan om eens zelf te onderzoeken waar die ik-gedachte eigenlijk ontstaat. 'Waar komt het vandaan?' vroeg hij dan, 'Ja, ik weet dat je vervult bent van spiritueel begrip en dat je alles weet over gelukzaligheid en dat je aanhanger bent van pranayama enzovoort, maar hoe zit het met het Ik? Wat is dit Ik? Wat is het werkelijk?' Dat was het enige waarom hij gaf. Hij vertelde iedereen alleen maar dat te doen, alleen maar uitzoeken wat je bent en dan zou alles op zijn juiste plek vallen. Alles zou dan in orde komen.

In mijn wanhoop geloofde ik hem op zijn woord en ik begon te zoeken, met mijn allerbeste bedoelingen, voor wat ik waard was. Het ging me niet al te best af, maar ik begon te zoeken naar de Ik-gedachte, naar het ego, naar het onderwerp en naar bewustzijn. Ik zocht naar iets permanents. 'Wat ben ik werkelijk? Waar komt die Ik-gedachte vandaan? Waarnaar verwijst die gedachte? Waar gaat dat simpele verhaal van Ik en Mij eigenlijk over?'

Ik prijsde mijzelf gelukkig dat ik in de gevangenis zat en vanwege wangedrag in het verleden slechts twintig minuten per dag hoefde te werken. De gevangenisleiding had me verboden om in een straal van dertig meter uit de buurt te blijven van elke computer en het enige baantje dat daarvoor in aanmerking kwam, was het schoonhouden van de badkamer van de directie. Dat kostte me zo'n twintig minuten en daarna was ik min of meer vrij om over de binnenplaats te wandelen, in mijn cel te zitten of iets anders te doen, zolang ik maar niet in de buurt van een computer kwam.
Ik spendeerde echter al mijn vrije tijd met zoeken, zoeken en nog eens zoeken. Ik las Ramana en zocht weer verder, verder deed ik niets, alleen maar zoeken, totaal in beslaggenomen, eigenlijk meer geobsedeerd, door de behoefte de waarheid over mezelf boven tafel te krijgen. Ik begreep van Ramana dat het enige probleem het verkeerde geloof over wat ik ben was en dat de oplossing daarvoor slechts de waarheid was en dat de waarheid heel eenvoudig scheen te liggen. Ik hoorde Ramana me vertellen dat al onze ervaringen en waarnemingen, of ze nou slecht of goed zijn, hier van nul en generlei waarde zijn. Je handelingen zijn niet slecht of goed, je geloofsovertuiging is niet goed of verkeerd, goede en slechte zaken bestaan beide, maar ze zijn hier alleen gewoon niet bruikbaar. Vind uit wat je bent en alles komt goed, was zijn devies.

Ik zat gewoonlijk op mijn bed en keek 'naar binnen'. Ik wist hoe onspiritueel het eigenlijk was om ook maar te denken aan naar binnen kijken. Ik bedoel, er is eenvoudigweg geen binnen- of buitenkant, toch? Alles is Een, binnenkant noch buitenkant bestaan, er is geen boven of beneden, geen mij of jou, geen lijden en geen einde aan het lijden en zo verder. Maar ik moest toch iets doen? Ik moest ergens zoeken en dus probeerde ik uit alle macht naar binnen te kijken en te zoeken wat daar was. Wat zit er eigenlijk 'van binnen'? Waar zit dat 'binnen'? Ik zocht naar 'mij' en ook naar 'ik' en naar het ego. Ik kwam ervaringen tegen die me verkrampten of die me een gevoel gaven van innige behoefte, kleine knopen van onplezierige gevoelens die zich openbaarden in wat mijn lichaam scheen te zijn. Het voelde als mezelf, dus dat moest dan het ego zijn. Het maakte me niet uit of het spiritueel klopte of niet. Mijn aandacht ging slechts naar datgene dat voelde als iets van mezelf en ik probeerde dat gevoel dan vast te houden – dan greep ik 'ego' bij de keel. Er gebeurde echter helemaal niets, maar ik hield vol en ging ermee door. Ik zat op mijn bed en greep die gevoelens van behoefte en begeerte, van verkramping en agressie stevig vast en dan zei ik in stilte, maar met alle woede die in me zat: 'Sterf!, sterf!, sterf!' Met al mijn wilskracht probeerde ik het ding in mij te doden. Het was immers het meest voorkomende spirituele inzicht dat het ego òf gedood òf genezen moest worden en dat laatste was voor mij niet aan de orde.

Op een dag, terwijl ik op mijn bed zat en opnieuw probeerde het 'ding' te vermoorden, kreeg ik een ingeving: 'dit monster gaat nooit dood!' en ik begon te lachen, heel hard te lachen en te schateren... en dat was ongelofelijk zalig om te doen.

Toen ik een dag later weer onder de douche stond, werd ik volledig in beslag genomen door de sensatie van het stromende water op mijn lichaam en ik probeerde te ervaren wat zich daarvan bewust was, niet van het water of de huid, maar meer van de spontane ervaring zelf. Omdat Ramana me had verteld naar mezelf te zoeken, probeerde ik uit te vinden wat zich van die sensatie bewust was. Dat was het enige dat ik deed, mezelf zoeken, leren naar mijn zelf te zoeken, door het gewoon te proberen. Ik zocht naar het onderwerp: wat ben ik eigenlijk in werkelijkheid? Wat is het precies dat de sensatie van het water op mijn huid voelt? Wat neemt precies waar, wat water is en wat huid. Wat is het dat deze gedachten waarneemt? Waar komen die gedachten vandaan? Wat is een gedachte eigenlijk? Hoe kan ik die vangen en vasthouden?

Ik zal het mijn leven lang niet vergeten, dat ik op een dag weer een douche nam en terwijl ik mijn oksels stond in te zepen ging mijn aandacht weer naar binnen om te trachten de directe ervaring van de waarnemer te voelen. Ik vroeg mezelf af wie het was, die het inzepen voelde. Wat is het dat zich ervan bewust is? En plotseling, zonder enige waarschuwing, zag ik dat, wat Ramana de Ik-gedachte noemt, zonder enig misverstand, uit het niets opdoemen. Ik herkende het plotseling, onverwacht en onweerlegbaar als het werkelijke voelen van iets, waarvan ik altijd had geloofd dat het mijn zelf was. Het verscheen uit het niets, in het niets, als de allereerste vonk van een ontploffende vuurpijl tijdens een vuurwerkshow, die uiteen spat tegen een donkere en lege hemel en voortraast en uitmondt in een kleurrijke fontein van herinneringen, intenties en verwachtingen, een verhaallijn van wat ik doe en waarom en wat ik van plan ben en waarom en al het andere; het was als een prachtige, ontluikende bloem die daarna terugviel in hetzelfde niets als waaruit hij was opgestegen, terwijl daaruit bijna onmiddellijk een nieuwe vertelling over mij tevoorschijn kwam. Het was zo'n mooi en scherp zichtbaar, oogverblindend spiritueel inzicht, vol liefdevol begrip en zo bevestigend en troostend, dat de tranen over mijn gezicht stroomden, dankbaar door het stromende water van de warme douche gemaskeerd voor de blikken van de andere stoere gevangenen in de badgelegenheid.

Toch heeft niets van dit alles echter iets te betekenen. Niets ervan heeft namelijk ook maar iets te maken met zelfonderzoek. Het wonder dat ik me er bewust van werd dat het ego niet kan sterven, de grootsheid van het waarnemen van de geboorte/dood/wedergeboorte van de Ik-gedachte, het gelukzalige jaar, het ineenstorten van het paradijs en de maanden in de hel, hebben allemaal helemaal niets te betekenen.

Mijn bedoelingen in dit spirituele melodrama ten opzichte van jullie, zijn er niet op gericht te suggereren dat op zo'n zelfde manier tekeergaan als ik, de juiste methode is om dat zelfonderzoek te doen. Het is uitsluitend mijn bedoeling jullie door het verkeerde voorbeeld te geven, te laten inzien dat zelfonderzoek onfeilbaar is, je kunt het gewoon niet fout doen. Het maakt niet uit hoe slecht je het doet, wanneer de intentie om uit te vinden wat je bent, eenmaal wortel heeft geschoten, brengt zelfonderzoek je thuis.

Zie je, ik dacht aanvankelijk te weten waarover Ramana het had; Ik dacht, dat ik begreep wat hij bedoelde, toen hij sprak over de ik-gedachte, het ik-ik, over je ontdoen van de leugen en dergelijke. Ik dacht te begrijpen wat hij beloofde, toen hij sprak over Zelfverwerkelijking en zelfs toen hij erop hamerde dat Zelfrealisatie nooit iets nieuws kon betekenen, geen nieuw bereikte staat kon zijn, zelfs toen wist ik het beter. Ik wist gewoon dat de 'natuurlijke staat', waarover hij sprak, absoluut fris en nieuw zou zijn, een voor ons als gevangenen in het web van onwetendheid, van hunkering, van vasthouden en weerstand, onvoorstelbare staat van zijn. Ik wist absoluut zeker dat verwerkelijking het einde inhield van verlangen naar, van gehecht zijn aan en van weerstand bieden tegen wat ook. Ik wist zeker dat de wildernis van het intellect en de sensatie die het menselijk leven nu eenmaal was, zou worden opgeruimd. Terwijl ik radeloos op zoek was naar mijzelf, wist ik hoe het zou zijn, wanneer ik ten langen leste de in de duisternis stralende waarheid zou aanschouwen en ik wist dat alle verwarring en onwetendheid als sneeuw voor de zon zou verdwijnen. Hoe was het mogelijk dat ik mezelf voorhield, dat er niets hoefde te worden gedaan aan hechting en weerstand, verwarring en onwetendheid en het verlangen naar vrede, vreugde en geluk? Ik was van mening dat het valse geloof over wat je bent dat soort dingen veroorzaakte en dat die dingen in de afwezigheid ervan zouden verdwijnen en dat klaarheid en helderheid zouden zegevieren. Ik dacht dat je ontdoen van deze loodzware staat van zijn en haar ervaringen, het doel op zich was van zelfonderzoek.

Maar het menselijk lijden heeft eigenlijk helemaal niets te maken met de staat van verwarring en onwetendheid, noch met de daad van het zich ergens aan hechten of het in stand houden van weerstand tegen wat ook. Het heeft ook niets uitstaande met de ervaring van het verlangen naar geluk; het heeft gewoon van doen met de ellendige verwarring, dat zoveel van het menselijk leven karakteriseert, het heeft niet te maken met het misselijkmakende heen en weer geslinger tussen goede of slechte stemmingen. Al die dingen, al die goede en slechte buien, zelfs de neutrale, zijn slechts verhalen over jezelf, pogingen om jezelf te verklaren en je aan jezelf en anderen te laten zien. Wanneer ze uiteindelijk volledig zichtbaar zijn, worden die buien helder waargenomen en hebben ze nagenoeg geen kracht meer om je te beschadigen of je van dienst te zijn.

Maar hoe kon ik dat allemaal weten? Ik werd in beslag genomen door het geloof dat ik het verhaal over mijzelf was en dat mijn geluk, mijn feitelijke bestaan, afhankelijk was van een positieve uitkomst van dat verhaal. Maar toch deed het medicijn zijn werk, ondanks mijn pogingen om Ramana's methode af te kraken en te saboteren.

Het is handig om zelfonderzoek te bestempelen als een medicijn, zoals een antibioticum wordt voorgeschreven om een ontsteking te lijf te gaan. Wanneer je een ontsteking hebt, ga je naar de dokter, die je een antibioticum voorschrijft en zegt dat je het viermaal daags gedurende veertien dagen moet innemen. De apotheker zal je ook nog eens op het hart drukken de kuur helemaal tot het einde af te maken, ook al voel je je na een paar dagen al een stuk beter.

Zelfonderzoek helpt je eenvoudigweg naar jezelf te kijken; je leert kijken naar het onweerlegbare hier-zijn van jezelf, kijken naar de naakte ervaring van jouw Zijn, zonder er ook maar iets van te verwachten of er iets op te projecteren. Dit Zijn, deze gewaarwording van jouw aanwezigheid is de volledige waarheid omtrent jezelf. Het is blijvend, onveranderlijk en onmiskenbaar. Het is altijd, op ieder moment van je hele leven, op de achtergrond aanwezig geweest. Het is aanwezig wanneer je slaapt of waakt, wanneer je werkt, speelt en denkt, het is er wanneer je iets wilt en wanneer je niets wilt. Het is op dit moment precies hetzelfde als wat het was toen je drie jaar was, of dertien jaar of dertig. Het zal nooit veranderen en is in dezelfde vorm aanwezig wanneer je de laatste adem uitblaast. Het is datgene, dat het onmogelijk maakt om te ontkennen dat je bent. Het is de enig echte waarheid en naar de waarheid kijken is het medicijn dat de leugen vernietigt die je vertelt dat jij je leven en je ervaringen bent.

Dit medicijn moet je niet drie of vier keer per dag innemen, maar eigenlijk zo vaak als je maar kunt en de kuur duurt zolang je leeft, maar je zult snel merken en op den duur ook begrijpen, dat je altijd al naar je eigen waarheid hebt willen kijken, vanaf de dag dat je geboren werd en zodoende zul je er ook absoluut geen moeite mee hebben er zo vaak mogelijk aan te denken het medicijn in te nemen.

Wanneer je antibiotica slikt, weet je eigenlijk niet precies wat er zoal in de loop van het genezingsproces in je lichaam gebeurt. Je bent niet in staat om het geleidelijk vergiftigen van de microscopisch kleine ziekteverwekkers waar te nemen. Je bent je niet direct bewust van het biologisch genezingsproces dat zich geleidelijk ontwikkelt, terwijl de greep van de ziekte op je lichaam langzaam verslapt, om ten slotte te eindigen. Je weet alleen dat je je per dag steeds een stukje beter gaat voelen. Zo gaat het ook met zelfonderzoek. Verwacht niet een plotselinge verschuiving in je gewaarwording, want dat is niet wat waarheid je brengt. Waarheid neemt de leugen bij je weg die ten grondslag ligt aan je lijden. Je zult vele ervaringen hebben, zowel goede als minder goede, terwijl de leugen langzaam zal afsterven en de behoefte om er controle over uit te voeren sterft in gelijke mate. Beide betekenen ze trouwens niets, beetje bij beetje zul je je iedere dag iets beter gaan voelen, zonder dat je al teveel acht slaat op je ervaringen en tenslotte zul je met alles vrede hebben. Zoals je altijd al gedaan hebt.

Het ego zal naar verwachting gewoon blijven bestaan, evenals het drama van je levensverhaal, maar het zal van veel minder betekenis voor je zijn, het zal in ieder geval behoorlijk aan belangrijkheid inboeten. Tenslotte vormt het ego niet het probleem, de leugen dat jij je ego bent, is het enige echte probleem. Onthoud voor altijd: je kunt helemaal niets verkeerd doen! Alles wat je nodig hebt is een krachtige intentie om direct naar jezelf te kijken, zodra je dat kunt en al het andere zal voor elkaar komen.

Dat is alles van enige waarde dat ik onder ogen moest zien, tijdens mijn eigen verwoede pogingen, want al mijn dwaasheid en gevoel voor drama, alles wat ik deed, nadat ik eenmaal tot zelfonderzoek was overgegaan, bracht me onbedoeld steeds weer opnieuw oog in oog met de directe ervaring van mijzelf, met de waarheid over mezelf. Alleen dat, uitsluitend dat en niets anders, heeft er na verloop van tijd voor gezorgd, dat de leugen dat ik mijn leven zijn, met wortel en tak werd uitgeroeid. Ongeacht wat ik dacht dat er aan de hand was, was ik herhaaldelijk en onbewust bezig met voortdurend naar mezelf te kijken en alleen dat nam de leugen bij me weg.

Ik ben tot op de dag van vandaag doorgegaan met mijn eigen zelfonderzoek en verwacht dat te blijven doen, tot ik mijn laatste adem uitblaas. In de loop van de tijd nam het geloof in mijn verhaal geleidelijk af en het lijkt erop dat het nu helemaal verdwenen is. Ik kan niet zeggen dat ik op enig moment in mijn leven plotseling een bevrijding voelde, of dat ik op een dag wakker werd in een staat van onvoorwaardelijke vrijheid. Eigenlijk is er nooit een moment in mijn leven geweest, dat ik niet was die ik ben en wat ik ben is niets anders dan de zekerheid van het zijn, die oneindige vrijheid, vrede en liefde IS.

Mijn verhaal, maar ook mijn leven zelf, zijn beide veranderd, wat moeilijk was, werd gemakkelijk, wat bitter was, veranderde in zoet, wat deprimerend was, werd vervullend en wat geketend was, veranderde in oneindige, stralende en onvoorwaardelijke vrijheid. Het is trouwens nooit anders geweest. De omstandigheden waren en zijn soms nog steeds moeilijk, maar vaak ook makkelijk, soms zoet en dan weer bitter, van tijd tot tijd laten ze te wensen, maar daarna ook weer niet en soms zijn ze verkrampt, om daarna weer open en vrij te voelen. Het leven zelf is nooit iets anders geweest dan het instrument, waarmee ik mezelf kan proeven, het is de manier waarop ik de eindeloze, glorieuze en nietige pogingen kan zien, die ik onderneem om mezelf te vertellen wat ik ben. Het hele leven komt trouwens hierop neer, de gehele kosmos en alle tijd en ruimte is dat. Elke goede en slechte gedachte, elke grootmoedige of zelfzuchtige handeling, ieder moment van helderheid en zelfs ieder moment van duistere verwarring, is een draad in het eindeloze en oneindige tapijt van het zijn.

Wat me het meest heeft verwonderd is dat, in de afwezigheid van mijn geloof dat ik mijn leven ben, in de afwezigheid van welk geloof ook over wat ik ben of niet, de energie van agressie, haat, verraad en afgunst, die op natuurlijke wijze voortkomt uit het geloof over wat ik ben, volledig is verdwenen: er staat nu niets meer op het spel. Er gebeurt hier niets dat me raakt of iets van mij afneemt of me op een of andere manier doet veranderen. Dat is altijd al zo geweest en het was slechts het geloof dat ik mijn leven was, dat ik ook maar iets was, dat er in het verleden voor zorgde, dat het allemaal anders leek te zijn.

Als ik ook maar enige hulp of praktische leiding zou hebben gehad bij mijn zelfonderzoek, zou mijn zoektocht ongetwijfeld veel korter, meer directer en minder melodramatisch zijn verlopen. Zonder al mijn misstappen en mijn verwarring over hetgeen er van mij verwacht werd, had ik echter waarschijnlijk nooit gezien, dat wat ik dacht dat ik deed, volstrekt niet relevant was. Zonder mijn dwaze inspanningen om te proberen de ik-gedachte te zien, teneinde de ik-ik te worden, mezelf te verlossen van het ego, door het te vervloeken of het als hartstikke fout te betitelen, was ik zeer waarschijnlijk nooit te weten gekomen hoe perfect de eenvoud van Ramana's zelfonderzoek is. Ik had nooit de mogelijkheden gezien en was nooit in staat geweest, jullie te vertellen dat je alleen maar naar jezelf hoeft te kijken, ongeacht wie je denkt die je bent of waarom je denkt dat je datgene bent wat je denkt of waarom je jezelf afvraagt waarom je iets doet. Kijk naar jezelf en alles zal daarna vanzelf op zijn pootjes terechtkomen. Alles komt in orde.

En als je tenslotte toch nog denkt dat je iets-Iets bent, of dat nu het meest nietige, het meest onbetekenende, het meest hopeloze of absoluut begrensde, nutteloze wezen in de hele creatie is, of misschien wel het oneindige, eindeloos stralende Bewustzijn en de oorsprong van de Schepping zelf of iets daar tussenin, je zult altijd lijden en strijden om het verhaal over jezelf te blijven volhouden, beschermen, op te hemelen of af te zwakken.

Op het eind is de waarheid slechts dat wat er echt toe doet. De waarheid over jou is alom aanwezig, niet te ontkennen en direct beschikbaar voor je, in alle tijden en onder alle omstandigheden. Kijk alleen maar naar jezelf, nu, op dit moment en je zult het zelf ontdekken.

Vertaling door Jan P. Smith.